Vragen over het gunstregime?
Neem zeker contact op met onze Estate Planners.
Het familiaal gunstregime inzake de schenking en de vererving van aandelen werd in 2026 grondig hervormd. Nu residentieel vastgoed niet meer in aanmerking komt voor het regime, rijst de vraag in welke mate projectontwikkelaars en andere vastgoedspelers er gebruik van kunnen maken. Er is namelijk een uitzondering voorzien voor projectontwikkeling onder de nieuwe wetgeving waarbij enkele voorwaarden dienen te worden voldaan. Eerste inzichten leren dat deze voorwaarden niet aangepast zijn aan de praktijk bij dergelijke structuren en groepen.
Het familiaal gunstregime is een gunstregime in de erf- en schenkbelasting waarbij familiale vennootschappen geschonken of vererfd kunnen worden. De tarieven zijn dan ook een stuk lager dan die in de gewone erf- en schenkbelasting:
Bij vererving geldt een vlak tarief van 3% in rechte lijn en tussen partners en 7% voor de vererving naar andere erfgenamen.
Bij schenking geldt een tarief van 0% en is er dus geen schenkbelasting verschuldigd.
Om te kwalificeren als familiale vennootschap, moet er wel aan specifieke voorwaarden voldaan zijn. Een van de voorwaarden is dat een vennootschap een ‘reële economische activiteit’ moet uitvoeren.
Sinds 1 januari 2026 is het familiaal gunstregime grondig hervormd. Zo wordt onder andere residentieel vastgoed expliciet uitgesloten bij toepassing van het familiaal gunstregime. Heeft een vennootschap dus ook residentieel vastgoed, zoals bijvoorbeeld de woning van de zaakvoerder, dan zal dit residentieel vastgoed volgens de gewone tarieven in erf- en schenkbelasting belast worden. De wetgever is namelijk van mening dat deze niet bijdragen tot de ‘reële economische activiteit’ van de vennootschap.
Het schoentje wringt bij ondernemingen waarbij residentieel vastgoed de kern vormt van de economische activiteit, zoals projectontwikkelaars.
Evenwel is er hiervoor een uitzondering voorzien waarbij de vennootschap alsnog kan kwalificeren onder het familiaal gunstregime mits de vennootschap voldoet aan volgende cumulatieve voorwaarden:
De omzetvoorwaarde: minstens 75% van de omzet van de vennootschap moet afkomstig zijn uit activiteiten met residentieel vastgoed zoals ontwikkeling, verkoop of verhuur.
De tewerkstellingsvoorwaarde: de vennootschap (of elke entiteit in geval van een vennootschapsgroep) moet ononderbroken minstens één voltijdse werknemer in dienst hebben en dat gedurende drie jaar vóór de schenking/vererving én drie jaar na de schenking/vererving.
De uitzondering botst in de praktijk op heel wat grenzen. We worden geconfronteerd met onder andere volgende kritische bedenkingen:
In de ontwikkelingsfase genereren deze vennootschappen nog geen omzet, zodat niet is voldaan aan de omzetvoorwaarde;
Het personeel wordt veelal geclusterd in 1 of 2 operationele vennootschappen zodat niet elke entiteit in de praktijk een personeelslid heeft en bijgevolg niet elke entiteit voldoet aan de tewerkstellingsvoorwaarde;
Wat als er een mix is in de omzet (bv. geen zuivere verkoop)?
Vanuit juridische hoek wordt dan ook sterk geargumenteerd om de uitzondering waar nodig te verduidelijken of zelfs geheel aan te passen.
De omzetvoorwaarde lijkt op het eerste gezicht eenvoudig, maar is in se al problematisch omschreven. Het is namelijk niet duidelijk op basis van welke referentieperiode voorafgaand aan de schenking deze voorwaarde wordt bekeken (terwijl dit wel duidelijk vermeld staat bij de voorwaarde met betrekking tot de tewerkstellingsvoorwaarde).
Bovendien houdt de omzetvoorwaarde geen rekening met periodes waarin de omzet door omstandigheden lager ligt. Denk daarbij aan de ontwikkelingsperiode, waarbij er klassiek zelfs geen omzet is. De referentieperiode en berekeningsbasis vormen dus een belangrijke kern voor de berekening van de omzetvoorwaarde, maar worden in de wettekst niet helder omschreven.
Daarnaast verhindert deze voorwaarde vennootschappen ook om te gaan diversifiëren. Gezien de drempel van 75% zullen vennootschappen die bijvoorbeeld willen diversifiëren richting bedrijfsvastgoed dat binnen de perken van de overige 25% omzet moeten doen, willen ze nog kunnen genieten van het gunstregime. Als die vennootschappen met een gemengde activiteit de “residentiële” omzetdrempel van 75% niet halen, dan zullen zij toch belast worden onder de gewone tarieven van de schenk- en erfbelasting.
Tot slot is het ook niet duidelijk of alleen de loutere verhuur van residentieel vastgoed onder deze uitzondering valt.
Ook de tewerkstellingsvoorwaarde lijkt op het eerste gezicht rechtlijnig, maar is dat allerminst. Zo wordt in de tekst gesproken over één voltijdse ‘werknemer’ die ononderbroken in dienst moet zijn. Daarbij komt meteen de vraag hoe overbruggingsperiodes (waarbij een medewerker bv. ontslag neemt en er geen tijdige vervanging gevonden kan worden) behandeld zullen worden. Of wat met vennootschappen die nog geen 3 jaar bestaan?
Bovendien wordt er gesproken over ‘een werknemer in dienstverband’, waardoor zelfstandige onderaannemers de facto niet meetellen i.f.v. het gunstregime. Dit onderscheid lijkt moeilijk houdbaar, gezien ze weinig te maken heeft met het al dan niet ‘reëel’ zijn van de economische activiteit.
Vennootschapsgroepen, die bij projectontwikkeling veelvoorkomend zijn, vormen in dit verhaal het grootste struikelblok. De voorwaarden voor de uitzondering worden namelijk per vennootschap bekeken (dus per entiteit), terwijl in de realiteit projectontwikkelaars het personeel vaak centraliseren in één of meerdere operationele vennootschappen en waarbij er per project een grond- en constructievennootschap wordt opgericht.
De grond- en constructievennootschappen bevatten de facto geen personeel, waardoor zij onder de nieuwe regelgeving in principe niet kunnen kwalificeren als familiale vennootschap.
Gezien deze uitzondering stevig botst met de praktijk, verwachten we in de toekomst een herziening van de voorwaarden. Verschillende stemmen uit de praktijk, waaronder notarissen, estate planners en advocaten, zijn hiervoor momenteel vragende partij. Diverse partijen uit de vastgoedsector hebben zich momenteel aangesloten bij een vernietigingsberoep voor het Grondwettelijk Hof. Indien daar een bevestigend arrest uitkomt, zullen de voorwaarden herzien moeten worden.
Ondernemingen die actief zijn in de vastgoedsector en een schenking overwegen, doen er dan ook goed aan de situatie nauwgezet op te volgen. Volg dus zeker onze kanalen of schrijf je in voor onze nieuwsbrief en we houden je op de hoogte.
Neem zeker contact op met onze Estate Planners.
Dankzij het gunstregime voor familiale vennootschappen kan je een familiale vennootschap schenken aan 0%, of laten vererven aan 3%. Daarvoor moet je wel aan strikte voorwaarden voldoen. Nieuwe rechtspraak zorgt nu voor een verduidelijking van die voorwaarden. Maar hoe ziet die verduidelijking eruit?
Daphné De Groote is één van VGD’s experten als het gaat om vermogensplanning. Bovendien is ze ook nog eens een expert in het stellen van de juiste vragen. Daphné ging in gesprek met Vlaemynck magazine over wat die vragen juist zijn, hoe ze met de antwoorden aan de slag gaat om ondernemers op weg te helpen naar een eigen vermogensplan en vroegen naar tips over hoe je dat als ondernemer nu kan aanpakken.
Vastgoed uit de vennootschap halen is geen evidente materie. Er dient rekening gehouden te worden met verschillende fiscale aspecten zoals meerwaardebelasting in de vennootschapsbelasting, roerende voorheffing en registratiebelasting.
Wat betreft de registratiebelasting bij de onttrekking van vastgoed, is de taxatie afhankelijk van de context en is ofwel het vast recht (€50) verschuldigd ofwel het verdeelrecht (2,5%) of het verkooprecht (12%).
Het nieuwe standpunt van de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL) heeft daarin belangrijke implicaties. Welke deze zijn, lees je hier.
Wij blijven nieuwe verhalen schrijven en onze expertise delen. Wil je dat vers van de pers? Schrijf je in op onze nieuwsbrief!
Alle uitdagingen binnen je onderneming verdienen een oplossing op maat. Neem contact met ons op en we brengen je in contact met de juiste expert.